De niet zo boze draak

De kwaadaardige draak, die helemaal niet zo kwaadaardig was!

De sterke en eervolle ridders Tim en Daniel lagen eigenlijk heel vredig te slapen, toen ze plotseling werden gewekt door een hels kabaal. Mannen en vrouwen renden door de gangen, schreeuwden luid en hielden maar niet op. Eigenlijk wilden de twee broers verder slapen en de hele boel negeren, maar toen knalde de deur met een harde dreun open en stonden de twee jongens plotseling rechtop in bed. „WE WORDEN AANGEVALLEN!” schreeuwde de ridder die zojuist de kamer in stormde. „DOOR EEN DRAAK!”. Tim en Daniel keken elkaar aan en sprongen direct op om hun harnassen aan te trekken. Toen ze op het grote plein van het ridderkasteel aankwamen, zagen ze hem. Een enorme, vuurspuwende draak die het kasteel aan het aanvallen was. Hij was in het echt veel angstaanjagender dan in de boeken die de twee broers hadden gelezen. Het is de eerste keer dat ze zo'n groot wezen zien. Maar dat hield hen er niet van tegen om direct de dichtstbijzijnde kasteeltoren te beklimmen. Eenmaal daar boven spande Tim direct zijn boog en richtte op de draak. Daniel hield zijn zwaard gereed. Het plan was bedoeld om de draak te lokken, weg van de andere burgers. En het werkte. Toen Tim de draak met zijn pijl raakte, bleef deze in de lucht stilstaan, draaide zich om en vloog recht op de twee ridders af. Vlak voordat hij aankwam, doken ze weg, zodat de draak hen miste.

 

Toen renden ze richting de uitgang van het kasteel in de hoop dat de draak hen zou blijven volgen. En dat deed hij ook. Tim en Daniel hadden nog hun paard gepakt, gingen erop zitten en reden in galop richting het grote dal dat ten oosten van het ridderkasteel lag. „We zijn te langzaam, de draak haalt ons zo in”, zei Daniel. „Ik zal proberen hem met mijn boog tegen te houden als hij dicht bij de grond is, dan val jij hem aan”, riep Tim naar hem. En zo deden ze het ook. Steeds weer. Maar toen merkte Daniel dat de draak weliswaar steeds weer op hen af vloog en ook heel dicht bij hen kwam, maar nooit met zijn grote klauwen aanviel. Hij spuwde ook geen vuur meer. Hij vloog steeds alleen in een cirkel boven de twee broers, op hen af en dan weer hoog de lucht in. „Er klopt hier iets niet”, zei Daniel op een gegeven moment. En ook Tim was opgevallen dat de draak zich meer gedroeg alsof hij de twee iets wilde vertellen en niet alsof hij hen wilde opeten. Inmiddels waren de twee ridders en de draak in het dal aangekomen. Nu werd het vermoeden van de twee broers ook bevestigd. Want kort nadat ze hun paarden tot stilstand hadden gebracht, landde de draak vlak voor hen, zonder hen aan te vallen. Hij ging rechtop zitten en keek de twee broers eerst alleen maar aan.

Het was Tim die als eerste het woord nam: „Vertel ons, waarom heb je eerst ons ridderkasteel aangevallen en ons daarna hierheen gelokt? Dat slaat toch nergens op!” Tims stem klonk enigszins verward, want hij wist zelf ook niet zeker of de draak hem überhaupt zou begrijpen. Het duurde even, maar toen antwoordde de draak daadwerkelijk. „Mijn naam is Serena. Ik wil mijn oprechte excuses aanbieden voor het feit dat ik jullie kasteel heb aangevallen. Ik had geen andere keuze, ik heb dringend de hulp van mensen nodig.” „Je hebt onze hulp nodig en valt ons daarom aan?” onderbrak Daniel de draak. „Het spijt me zeer,” herhaalde de draak, „maar ik heb geen mensen direct aangevallen en ik heb alleen vuur gespuwd op plekken waar het niemand kon schaden! En ik wist niet hoe ik jullie anders naar dit dal moest lokken. Want het is zo, ik kan alleen hier met mensen praten. En hoe had ik jullie anders moeten uitleggen dat ik jullie hulp nodig heb?” Toen de ridders erover nadachten, moesten ze vaststellen dat het inderdaad zo was. Als de draak vuur spuwde, dan was dat altijd in de buurt van de rivieren en ze hadden ook niemand gezien die gewond was.

 

„Vooruit dan, maar waar heb je onze hulp nu voor nodig?“ vroeg Tim, nog steeds een beetje sceptisch. „Weten jullie, ik word heel binnenkort moeder. Maar mijn ei is tijdens de laatste storm in een grot hier in de buurt gerold. Ik kon het niet tegenhouden. Tevergeefs heb ik geprobeerd het weer uit de grot te krijgen, maar mijn klauwen zijn simpelweg te groot, ik kom niet door de ingang heen. Twee dagen heb ik de wacht gehouden en de grot warm gehouden, maar ik moet toch echt voor mijn kind kunnen zorgen!“ Tim en Daniel keken elkaar aan en toen weer naar Serena. De drakenmoeder liet haar kop neerslachtig hangen en zag er erg wanhopig uit. Toen keken de broers elkaar weer aan en moesten ze allebei lachen. Serena keek verbaasd op. „Ik denk dat we snel naar de grot moeten!“ zei Daniel. Tim knikte instemmend. „Oh, heel erg bedankt, echt waar, ik kan jullie niet genoeg bedanken!“ jammerde de draak al een beetje van geluk. Eenmaal bij de grot aangekomen duurde het niet lang en het drakenei was weer bij zijn moeder. Serena was ongelooflijk gelukkig! „Bedankt mijn jonge ridders! Jullie hebben mijn kleintje het leven gered. Ik sta diep bij jullie in het krijt. Als ik ooit iets voor jullie kan doen, zeg het me dan. Bovendien zijn jullie hier in dit dal natuurlijk altijd welkom.“ De draak was nog niet helemaal uitgesproken of de schaal van het ei kraakte plotseling open. Tim en Daniel keken heel gespannen naar het ei. Het duurde niet lang en een klein gekrijs klonk. Serena maakte meteen een klein vuurtje voor haar kleine spruit, die zich daarop direct lekker in het gras nestelde en weer in slaap viel. Daniel en Tim hebben het hele gebeuren gespannen geobserveerd en waren gefascineerd door de kleine draak. Het begon langzaam al donker te worden en dus besloten de twee ridders weer naar huis te rijden. Ze namen afscheid van Serena en haar kleintje en beloofden snel weer langs te komen. Thuis aangekomen stormden alle bewoners op de twee af en wilden ze alles weten. „Hebben jullie de draak gedood?“, „Konnen jullie hem verslaan?“ Tim en Daniel lachten. „Nee, we hebben hem niet verslagen. Maar we hebben vandaag twee nieuwe vrienden gewonnen, die ons in de toekomst hier op de Ridderkasteel zullen steunen!” zeiden ze beiden, voordat ze vertrokken en zich kort daarna glimlachend in bed lieten vallen.